Lieve Geeroms

Lieve Geeroms (°Welle, 1964) volgde in 2017 voor de eerste keer poëzieles bij Ivo Van Strijtem, haar meester bezieler.

Voor haar is poëzie een schuilplaats, een baken, een binnenweg naar gevoelens, een taalspel. Poëzie schept verbinding die zij ook in de muziek, de schilderkunst, de literatuur en de natuur terugvindt.


De trein

 

Ik baan me een weg in een gang

met woorden van kommer en kwel

met naald en draad 

naai ik ze een oor aan

 

Soms verleg ik al eens 

een rail om te ontsporen

in een blik van een vreemde

geef ik me over aan zijn cadans

 

Vandaag hang ik in een raam

zonder bestemming

de oude weide is nu een rivier

waarin een zon aarzelt

in de knotwilg

wacht de velduil op de nacht

geen zuchtje wind.

 

Voor Noah

 

Hij schuifelt de kamer binnen

alsof hij bang is om het licht te breken

hij gooit zijn jas en muts

daar waar ze niet horen

zijn schoenen netjes in de kast

de kamer lijkt leeg

met hem in het midden.

 

De houtblokken wachten in de haard

klaar om aan te steken

we kijken in vuur naar gensters

die springen en die hij imiteert

zij vullen de kamer.

 

Zijn bal kijkt hij buiten

hij boekt zich een reis

die reeds begraven is

en kijk hoe de mond van

deze kleine man beweegt

hij spreekt alsof hij een borrel teveel op heeft

hij woont in een taal

met verre woorden

 

We maken een koprol

en spoelen aan

nemen een bad in een steen.

 

Solitude

 

Ik zag je vannacht

je droeg nog steeds

die versleten jas

die waar je zo gek op was

je gekscheert

je lacht

naar haar of doet alsof

 

Ik zag je vannacht

je nam me mee

naar een schemerige steeg

naar hongerige handen

achter ramen

de hallucinatie

 

De nacht gaat onder in de dag

ik spoel hem af

op de radio 

een lied van Laura Pausini

 

Ontwaken

 

Als de ochtend ontwaakt en de buurman

aan de overkant zijn put delft

op een zondag verrijst in een weide

lathyrus in nachtblauw

zagen wij dan een boom in twee

waakhonden onder een bed

 

Wolken wij ons dan warm

aan een kind of aan een bal in rood

aan de einder strandt het

met haar handen op haar rug

halen we haar er zo uit.

 

Een picknick met vrienden

 

In een oude weide in een drinkbak liggen we

straalbezopen in sferen waarin we boven wolken zweven

met een kleed dun en de wind die erdoor blaast vallen we bruingevlekt

in de schemer van de avond, zelfs de krekels zwijgen

 

Als ballerina's lopen wij op een kiezelpad

net voor de haan de derde kraait

barst vader paars bovenaan de trap

en ik beneden wit gebogen

 

Kijk nu eens naar de kiezels op het grintpad, hoe onverschillig ze er bij liggen

de vrienden zijn nu vreemden

de oude weide en de drinkbak allebei verlaten.

Weet je nog J.

 

Tijdens de wandeling die dag

je was net terug van een verre reis

toen je me vroeg

wat ik het liefste had

dat jouw liefde voor mij groter was

of omgekeerd

alsof liefde een soortgelijk gewicht was.

De wind waaide fel

In onze gedachten.

 

Weet je nog,

dat ene schaap in die verre weide

het regende, zijn poten leken sokken

maar in zijn ogen de tristesse

een graf dat nooit bezocht werd.

 

Ik liet je drijven in zijn ogen

zo werden we lichter

kwamen we dichter.