Nele Bruynooghe

 

Nele Bruynooghe wil ‘kijken met ogen die schrijven’ en wat ze schrijft ‘als speelgoed in de handen van een lezer leggen, om eraan te trekken en te duwen en verwonderd te zijn over wat er allemaal kan’. Ze leerde op die manier te kijken door haar studies taal- en letterkunde en haar ervaringen als leerkracht Nederlands.

Poëzie van haar hand verscheen in Meander magazine (eervolle vermelding Rob De Vos-prijs 2020), MUGzine en Het Gezeefde Gedicht. Ze won de Hendrik Prijs-prijs in 2023, is lid van de poëzieredactie van Elders Literair en deel van zacht bruTaal.
Tygerstrepen is één van haar projecten als huidige dorpsdichter van Opwijk.

Je kan woorden van haar vinden op zachtbruTaal.be of op Instagram. Haar contacteren kan via nele@zachtbrutaal.be

 


Vul jezelf in hier

 

En leg ons in hoog gras op de loer voor elkaar
in het gegons van een dorp. In de avond

 

loopt het uit als softijs over handen, op straatstenen
de muzieknoten zachter dan kattenpoten

in beton. De straten, het plein hoe ze waren hoe ze zijn

valt over elkaar als kinderbenen in een handenstand

 

tegen een schoolmuur. Zo veel mogelijk. Achter elkaar. Doorbuigen.

En terug. Wuivend gras.

 

Je kan opstaan en verder niets, maar liever dat je blijft. Hier
druk ik kleefkruid tegen je aan, zodat je dagen nadien nog

groene bolletjes vindt en weer hoort hoe hier zacht kan aanslepen:
de zon, de paarden, het graan, groeien, grootmoeders en ramen.

 

Onvindbaar voor de uren, begrijpen we eindelijk elkaar
halsreikend. Mijn vingers eindelijk geleerd te trillen

op een snaar zoals boterbloemen in de wind
in hoog gras, de vacht van een dier waar ik en jij naast mij deint,

wild tussen de lijnen en wij beloven elkaar:

ooit bootsen we een geheim zo goed na dat iedereen kijkt.


Achter glas in een steeg

op een kappersstoel de rug en schouders van een vrouw

halfnaakt goudbruin de avond

 

kwetsbaar, je kan er messen in steken
zoals een goochelaar een kist doorsnijdt.

 

Maar zíj heeft de wapens, haarspelden

(schelpen, scheermesjes) voor nog een vrouw
op nog een stoel. Haar handen traag. Vast.
Een barbier met een mes langs een hals

 

zegt ogen dicht. Niet kijken. Dichter.
Op het einde noem ik je bij naam.
Mijn kleine zomer, ril dan. Zoals spelden
langs een schedel. Rakelings.

 

Nog.
En nog.


Burlen

 

Hoe ik altijd maar in zuigen spreek ongewild en wild

met gekkohanden mezelf aan je hecht in susklanken

jij de monsters het bed in jaagt de klauwen in bloei

aan de bezittelijke voornaamwoorden tot ik enkel nog sis

van mij, mijn, de mijne

 

terwijl we met natte hondenneuzen stippellijnen

trekken, kruisvormige sleepsporen zoals soldaten

aan het front een kus in een brief, daar

 

morsen we uit onze kleren


Animus

 

En wij maar over het landschap vloeien. Alles in ons opnemen en uitgieten. Zien of het past
in de kom van een hand, een kind dat zich lostrekt, weg wil en toch weer niet.
Een moeder nakijkt en zegt, je bent mooi.

 

Wat is dat toch, wanneer iets van dicht naar ver gaat. Ik wil
dat je mij ziet. Geen hand voor ogen en onze lippen als strepen zo dichtbij. Ik wil jou alles.
Mezelf uitgieten over jou en langzaam losweken tot ik alleen maar mezelf ben. Een soort ruiven van pauwenveren.

 

Zeg me. Dat ik ze bij jou niet nodig heb. Leg me. Ergens tussen je ondergoed of je kinderen.
Ik beloof je stil te zijn en zacht te liggen, alleen maar dat.


Huidhonger

 

Hoe je hier nu bent en de dagen uitkleedt tot ze rillen
van schoonheid en angst. Lappen van elkaars vlees aaneen genaaid
zijn we. Altijd trekken en sleuren om terug te stelen

wat ons was. En dat gevecht een zacht geneurie.

 

Hoe we ervoor en erna zwellen en uiteenvallen in
een zwerm spreeuwen, steeds verder weg terugkeren

en dat herhalen tegen het vergeten:

 

Hoe


Een streep

Je vroeg wat ik vond van de dienst. Ik zei maar wat.
Alsof je daarmee een vinger knipt en iets wegtovert.
Het voelen minder hoorbaar bijvoorbeeld een gordijn
schuift en op de rails knagen kindertanden.


En toch is er meer tussen ons dan een streep op papier
een tekening noemen zodat jij of ik wel moet stoppen
met praten met de grote mensen om toch even ik en jij

 

neergehurkt
verzin ik de plooi in onze benen tot een glimlach