Luc Mommaerts
Luc Mommaerts ° 1954 schrijft graag poëzie, niet beroepsmatig maar om op een speelse manier zijn liefde voor taal te bedrijven.
Hij bracht 2 bundels uit in eigen beheer: Naderlating (2017) en Geworpen (2023) Je kan deze bestellen via afspraak: lucmommaerts@hotmail.com.
Welkom
welkom kleine mens, je bent aan land gekomen
treed binnen in ons midden, ontvouw voelsprieten en zuignappen
leg ons je wet op van de zwakste
een mens leeft maar bij de gratie van een groep
houd ons bij de les, roep ons wakker
we herkennen het weerloos zijn
we stellen ons garant voor beste zorgen
een navelstreng die haar gelijke niet kent
keuze
als ik nog kan kiezen
aan het einde van mijn tijden
wil ik graag een kamer
in het warmste grijs
daar hoef ik enkel
jouw stem te zoeken
warm en nabij
in de avondzon
en als geur mij nog iets zegt
wil ik je haar dichtbij
de buik spreekt
het kleine bekken
spelonk vol raadsels
verscholen in de diepte
zetel van begeren en van falen
oord van lust en pelvisch genot
door menig ongemak beknot
de buik spreekt met horten
dan wel met stoten
als hij al spreekt
na de les “poëzie schrijven”
twee uren lang devotie
de poëzie vraagt offers
uit behoefte aan tegenwicht
stortte ik mij in zonde
ik at één pak chips
en toonde geen berouw
de omstandigheid verzachtte :
ik deed het samen met mevrouw
parasieten
ze koloniseren je hersenen
hangen spinrag rond synapsen
vreten je verbeelding kaal
woorden zijn parasieten
gelukkig beschik ik over sproeimiddel
fixeer ze op papier
gedrenkt in bourgondisch rood
inkt waarin ikzelf ook
graag zink
tirade van de verstoorde man
gesakker is te zacht
het moet viriel
het moet potent
zelfvoldaan virulent
schimpen vanuit de onderbuik
onbelullig op twitter
paringsdans
het sabbelen op een woord
tot het parelt, het schrijven
schrappen, herbeginnen
de begeerte van het mooie
ons terugtrekken
het woord ten dans vragen
en waarom niet
verder gaan
gunst
zo prettig als het was
de dwaze drift
op hoge golven
zo prettig is het nu
aan jou te komen
bij laagtij
en met de gunst
van enige wind
een lage duik
hinkstapsprong
mijn brein, een dwingeland
maakt mij lijfeigen
ik hinkstapspring maar mee
mijn ego, kleinzerig, zachtgekookt
zoekt naar zijn leest
ik vraag naar het waarom
weet enkel dit:
ik weet het niet
een schrale troost
heengaan
gaan mag je en vrede vinden
ook al kennen we je bestemming niet
maar keer vlug weer
we laten je binnen zonder kloppen
al is het nog zoeken naar je gedaante
hoe zwijgzaam en geruisloos ook
elk teken dat je geven zal
bereikt ons beslist
sneeuw
sneeuw doet iets met mij
ik word kind en dartel
vuur sneeuwballen af
steek een wortel in een pop
ook die grens moet gesloopt
dus bond ik latten aan
de sneeuw kon meer dan ik :
zacht gaan liggen
tot het tij keert
ik was niet opgewassen
tegen schone schijn
en het gewicht van je titel
nu mag je prijken
op de plank met ongelezen boeken
waarvan zo nu en dan
één promoveert naar nog te lezen
de streling van de stofkwast
houdt belofte in
voorteken
als de wind
beukt op mijn stemming
schuil ik bij de stoof
tijd tikt daar anders
een vlam likt mij aan
voor ze opgaat in rook
slechts een kwestie van tijd
en ik doe dat ook
najaar
stormen ontketenen een soort van tasten
zijn ongebreideld in hun opruimwoede
plukken alles kaal
de tijd dikt in
de mensen kweken vet
zoeken troost in een gedicht
ik blijf nog wat
stuur tegenwinds
mijn woorden uit
Slaap
ik bouw een altaar
als ik weet welke
god mij slapen laat
speel zeker, bouw drie tempels
in bed maak ik plaats
voor één godin
die geen wachten duldt
zij doet de bokken springen