Hilde De Cock
Hilde de Cock (°Aalst , 1961) was meermaals laureaat van poëziewedstrijden. In 2018 werd ze genomineerd voor de gedichtenwedstrijd van Poetry International Rotterdam. Haar gedichten verschenen in verschillende bloemlezingen, literaire tijdschriften zoals Het Gezeefde Gedicht, en een e-zine zoals roerland. In 2020 werd ze jaardichter van het literaire tijdschrift Toverberg. In 2023 werden verschillende gedichten van haar geadopteerd in het kader van het project Weesgedichten Utopia Aalst. Eind 2024 werd haar debuutbundel Raaklicht uitgegeven. In vijf cycli wijst zij in deze bundel de lezer op de onlosmakelijke verbanden tussen leven, dood en poëzie. In de gedichten uit de bundel Raaklicht huist een hunkering naar schoonheid, echtheid en troost. De kwetsbaarheid van de mens staat centraal in haar werk.
Haar visuele handicap werpt sinds enkele jaren een schaduw over het creatieve schrijfproces. Zij blijft desondanks actief bezig met poëzie met de middelen die vandaag bestaan. En blijft op een positieve wijze haar inspiratie halen uit dagelijkse, veelal toevallige ontmoetingen, en kunst en cultuur in al zijn vormen.
Jotie ’t Hooft is ook in deze tijden een vaste metgezel in haar poëzie.
"Maar niets was erger dan nu, ik wou dat je bij me kwam en in mijn ogen keek" (Uit Poezebeest , Jotie ’t Hooft, Uitgeverij Manteau 1978)
Liefste
liefste
wij kruisen hier
geen messen
meer
maar leggen
in de gloed van
wijn
de lepels
voor de ochtend
neer
zie dan hoe
liever dan lief
de maan
fragiel
mijn hemel kleurt
waarbij ik
ademloos
mijn pen neerleg
en zwijg
Schemertaal
we hoeven niet jarig te zijn
om in elkaar te zomeren
om op de tong te proeven
de kers van de taart
nog voor deze wordt aangesneden
we rijzen als deeg tot ver
buiten onze grenzen
we hoeven niet jarig te zijn
om ijs van onze jassen te kloppen
noorderwind te blazen
naar een zuiders atol
door beslagen brilglazen heen lezen wij ogen
slaan de geur op van bevroren rozen
ontdooien elkaar
het zijn de papillen die vragen naar meer
we gaan liggen om minder
zichtbaar te blijven
witte veren
de nacht gaat neren tussen mijn slapen
witte veren sluiten ogen trillen na
laten woorden zachter klinken
kruipen stiller in elkaar
de droom die je wil verder slapen
haalt de winter uit mijn naam
ik waan me veilig in jouw ogen
witte vlucht uit dit bestaan
Pessoa
zou de mens een binnen hebben
heeft hij dan inkijk in regen
blaast hij de wind aan
die een lichaam droogt
een woord kan een keerpunt zijn
in het geluid in het vragen naar een mens
warmer dan de jas geslagen
rond te ruim zittende huid
als de mens zichzelf herkent
legt hij vingers op de mond
herstelt hij zich in woorden
of blijft neerslag zijn enig uithangbord
De egel
Hij kromt zich op
kleiner dan dit kan hij niet worden
De egel zal je niet steken
als hij naar binnen plooit
Vandaag is een dag van kleine letters
woorden verdwalen
ze pendelen tussen hoop en wanhoop
De breuklijn in mijn ogen had ik niet zien aankomen
mijn vingertoppen hebben zich nog niet aangepast
een gelaatsuitdrukking voelen aan de toonhoogte vergt tijd
Misschien toch
blijven geloven dat de bodem van het nest
sterk genoeg is om een winterslaap te dragen
dat het voldoende windstil zal zijn in het vroegste voorjaar
Nieuwe huid
Laten we de salamander volgen
in zijn keuze van water boven land
huid afwerpen
geen windeieren meer op het strand
groeien in het ongewisse
Golfbrekers bouwen van het mooie dat we ooit zagen
onze stranden vrijwaren
schelpen in een kinderhand bewaren
gekwetste vogels op handen dragen
Laten we het water zachter breken
voor een vloedgolf aan kracht wint en ons verwoest
Laten we de verstilling in evenwicht houden
onze ademhaling afstemmen naar de klanken van vandaag
Een vlot aan water toevertrouwen
bovenop het genadeloze verdict gaan liggen
geen vin verroeren
een hand te water laten tot we verkoeling voelen
Want sterker hoeven we niet te zijn
al gaan mensen en wensen niet verder dan dit
een onbeduidend woord
gefluister in de schelp van een oor
of in het ruim van een meisjesboot
Wij klimmen van de golven af
vouwen onze vleugels open